Sla menu over Meer over toegankelijkheid
Wierdenland & Waddenkust

Ruimtelijke kwaliteit van de Groninger landschappen

Wat is ruimtelijke kwaliteit en wat is nodig om ruimtelijke kwaliteit tot stand te brengen? Met ruimtelijke kwaliteit wordt een omgeving of een bouwwerk bedoeld met de juiste mix van een hoge gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Dit houdt in dat het gebied of bouwwerk optimaal gebruikt kan worden voor het beoogde doel, robuust en duurzaam is, en daarbij aangenaam en aantrekkelijk is om te zien.

Matrix ruimtelijke kwaliteit

Ruimtelijke Kwaliteit Economisch belang Sociaal belang Ecologisch belang Cultureel belang
Gebruikswaarde

Bereikbaarheid

Stimulerende effecten

Gecombineerd gebruik

Toegang

Eerlijke verdeling

Inbreng

Keuzemogelijkheden

Externe veiligheid

Schoon milieu

Water in balans

Ecologische structuur

Keuzevrijheid

Culturele
verscheidenheid

Belevingswaarde

Imago/uitstraling

Aantrekkelijkheid

Gelijkwaardigheid

Verbondenheid

Sociale veiligheid

Rust en ruimte

Schoonheid der natuur

Gezonde leefomgeving

Eigenheid

Schoonheid der cultuur

Contrastrijke omgeving

Toekomstwaarde

Stabiliteit en flexibiliteit

Agglomeratie

Gebundelde aantrekkelijkheid

Iedereen aan boord

Sociaal draagvlak

Ecologische voorraden

Gezonde ecosystemen

Landschap

Erfgoed

Integratie

Culturele vernieuwing

Wat is nodig voor ruimtelijke kwaliteit?

Vaak wordt gezegd dat ruimtelijke kwaliteit niet zozeer gaat over 'mooi' maar over 'goed'. Ruimtelijke kwaliteit ontstaat niet vanzelf. Sterker nog: als je niets doet, verdwijnt het.

Daarom wordt in deze kwaliteitsgids ook aandacht besteed aan ontwerpstappen en processtappen van eerste idee naar visie, concept, planvorming en uitvoering. Het onderliggend idee is dat als plannenmakers in een vroeg stadium de verschillende disciplines en (ontwerp)deskundigheid bij het proces betrekken, plannen beter worden en dat landschap en erfgoed daarbij gebaat zijn.

Ruimtelijke kwaliteit per deelgebied

Per deelgebied zijn er bepaalde kernkarakteristieken waar rekening mee gehouden dient te worden. Deze dienen als kader meegenomen te worden in de planvorming.

Kernkarakteristieken van het Zuidelijk Westerkwartier

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het Zuidelijk Westerkwartier verdient, bij nieuwe ontwikkeling, de aansluiting op de volgende kenmerken aandacht:

  • Geologische hoofdstructuur uit de periode van de ijstijden met een afwisseling van gesloten gasten (keileemruggen met veel begroeiing) en open beekdalen en natte laagveengebieden.
  • Natte landschapselementen op de keileemruggen in de vorm van pingoruïnes met een waardevol bodemarchief.
  • Archeologische vindplaatsen van jager-verzamelaars uit de Steentijd en van de vroege boeren uit de Late-Steentijd tot Midden-Bronstijd.
  • Archeologische resten van verlaten veenontginningsdorpen met kerkhoven uit de 11de tot 13de eeuw.
  • Kenmerken van het beekdal van de Oude Riet met waardevolle oude meanders, veenlagen en dekzandkoppen. Bloemrijke hooilanden met schaallandsoorten en weidevogels.
  • Opstrekkende strokenverkaveling van de middeleeuwse agrarische veenontginningen.
  • Laatmiddeleeuws coulisselandschap van elzensingels en houtwallen met autochtone soorten en een rijke flora en fauna met daarin een ondergeschikte positie van de bebouwing.
  • Turfvaarten en wijken uit de 16de, 18de en 19de eeuw.
  • De middeleeuwse steenhuizen, borgen, kerken en boerderijen zijn waardevol door deze in hun landschappelijke context te beschouwen en als herkenningspunten in de ruimte te benutten.
  • De lineaire 16de-eeuwse ontginningsstructuren van de wegen en kanalen in de veenkoloniale zuidpunt van het Zuidelijk Westerkwartier.
  • 19de-eeuwse petgatencomplexen heringericht als waterbergingsgebieden met moerasnatuur.
  • Dijkrelicten, zijlen, afwateringen en poldermolens uit de late middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide dorpsstructuren:
    • Verwevenheid van de wegdorpen met het houtsingellandschap.
    • Langgerekt karakter van noordoost-zuidwest lopende wegdorpen van de 12de en 13de-eeuwse veenontginningsdorpen.
    • Enkelvoudige linten met hier en daar als uitzondering een dubbele en opgevulde lintbebouwing.
    • Het belang van ruimtebeleving van de lintdorpen, door voldoende herkenningspunten in te bouwen.

De ondergeschiktheid, kleinschaligheid en het overwegend sobere karakter van de bebouwing met daartussen Westerkwartierse varianten op de kop-romp- en stelpboerderij en luxe rentenierswoningen, door bij nieuwe architectuur hierbij aan te sluiten.

Kernkarakteristieken van Wierdenland en Waddenkust

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de regio Wierdenland en Waddenkust verdient, bij nieuwe ontwikkeling, de aansluiting op de volgend kenmerken aandacht:

  • Geologische hoofdstructuur uit het Holoceen met een afwisseling van kwelderruggen, -bekkens en maren.
  • Archeologische vindplaatsen van vroege boeren uit de Late Steentijd tot Midden-Bronstijd.
  • Zeer uitgestrekt en samenhangend landschap langs de Waddenkust met rijke landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden.
  • Het kronkelend beloop en meer natuurlijk aanzien van de van oorsprong natuurlijke waterlopen, zoals voormalige kweldergeulen, rivier en beeksystemen zoals het Reitdiep, de Fivel en de Lauwers.
  • De samenhang en het contrast tussen de grootschalige openheid van de kweldervlaktes en de besloten dorpen op de kwelderwallen en de hoger gelegen wierden, samenvallend met voormalige kustlijnen.
  • Opstrekkende verkaveling van het dijkenlandschap en onregelmatige verkaveling wierdenlandschap.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide dorpsstructuur van de wierdendorpen:
    • Bolvormige kruinige percelen en opgehoogde wierden en mieden.
    • De zichtbaarheid van de hoogteverschillen in en rondom de wierden. De wierden vallen in reeksen samen met de voormalige kustlijn en zijn gesitueerd langs natuurlijke waterlopen (maren) waarbij de wierden als eilandjes in open agrarisch gebied liggen.
    • Cultuurhistorische en hoge archeologische waarde van de wierden, dobben, dijken, middeleeuwse kerken, eendenkooien, typische bebouwingsstructuren en ecologische relicten van middeleeuwse landbouwgewassen.
    • Restanten van middeleeuwse onregelmatige blokverkaveling.
    • Een verbindend systeem van oorspronkelijke, bevaarbare maren, aantakkend op wierdendorpen.
  • Historisch gegroeide dorpsstructuur met doorzichten vanuit dorpslinten op het landschap.
  • Grootschalige, open polders, parallelle (slaper)dijken en wegen met grote boerderijen aan de voet van de dijken, dijkdorpen langs de dijken en een opstrekkende polderverkaveling.
  • Ritmiek van boerderijreeksen met erven in het groen en tussenliggende open ruimtes.
  • Streekeigen bebouwing, kop-hals-romp en Oldambtster boerderijen en statige villaboerderijen.
  • Monumentale boerderijen, steenhuizen, borgen, kerken, borg-, kerk- en kloosterterreinen als onderdeel van de landschappelijke context.
  • Resten van middeleeuwse steen- en kalkovens, tichelgaten, kleiwinningsputten en latere grotere steenfabrieken, de tichelwerken.
  • Veel materiaal van verdwenen borgen en kloosters herkenbaar in andere gebouwen hergebruikt.
  • Waterbeheer:
    • Dijkrelicten en waker-, slaper- en dromerdijken.
    • Herkenbaarheid van voormalige zee-inbraakgebieden met (resten) van kolken.
    • Zijlen, sluizen, tillen, afwateringen, dijkcoupures met schotbalkhuisjes.
    • Gemalen en poldermolens uit de late middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
    • Gemaal de Waterwolf en Hunsingosluis.
    • Plaatsnamen met ‘til’ en ‘dam’ en de ontwikkeling van kruis- en wegdorpen langs sluizen en waterwegen.
  • Een stelsel van trekvaarten en trekwegen uit de Nieuwe Tijd.
  • Bunkers en luchtwachttorens uit de Tweede Wereldoorlog.
  • Natuurgebieden van mondiaal belang; Unesco Werelderfgoed De Waddenzee en Lauwersmeer.

Kernkarakteristieken van het Gorecht

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het Gorecht verdient, bij nieuwe ontwikkeling, de aansluiting op de volgende kenmerken aandacht:

  • Geologische hoofdstructuur met hoogteverschillen, een contrast tussen kleinschalig, besloten, hoger gelegen landschap op de Hondsrug en aan weerszijden een laag gelegen, zeer open landschap met beekdalen van de Drentse Aa en de Hunze.
  • Kenmerkend reliëf van de glaciale ruggen van Geopark de Hondsrug met de esdorpen.
  • Prehistorische hunebedden.
  • Natte landschapselementen zoals pingoruïnes, petgaten en de Besloten Venen.
  • (Restanten van) middeleeuwse kerken en kloosters, voormalige karresporen en dijken
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide parkachtige esdorpenstructuur op de Hondsrug met een oorsprong in de Romeinse tijd, met afwisselend essen, bossen, graslanden en met naast sobere boerderijen en keuterijen ook statige bebouwing in de vorm van buitenplaatsen, villa’s, villawijken en later meer sub-urbane woonbebouwing.
  • Veenborgen en andere 18de-eeuwse buitens dankzij de particuliere veenontginningen.
  • Meren en plassen ontstaan door veenafgravingen.
  • Stad Groningen met de Hereweg als noord-zuid verbinding.
  • Gevangenis Van Mesdagklinkiek en de ruimtelijke context.

Kernkarakteristieken van het Centrale Woldgebied & Duurswold

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het Centrale Woldgebied & Duurswold verdient, bij nieuwe ontwikkeling, de aansluiting op de volgende kenmerken aandacht:

  • Geologisch reliëf van flauwe glaciale ruggen met wegdorpen (groene linten), zware beplanting en inversiewelvingen (kreekruggen) overgaand in grootschalige openheid met overwegend drassig, laag gelegen gebied afgewisseld.
  • Prehistorische jagerskampen.
  • Restanten van een veenbeeklandschap langs de Scharmer en Slochter Ae.
  • Resten van middeleeuwse nederzettingen en regelmatige strokenverkaveling met sloten en medenlanen, meedenverkaveling.
  • Markante ontginningslijnen in de vorm van wegen, waterlopen en voormalige dijken.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide wegdorpen.
    • Reeksen (monumentale) boerderijen, deels op huiswierden en/of inversieruggen.
    • Wegdorpen met boerderijen, erven en slingertuinen en soms een zware wegbeplanting.
    • In de wegdorpen liggen middeleeuwse kerken en kerkhoven, kloosterterreinen, molens en borgen met landgoedbossen.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide middeleeuwse wierdendorpen.
    • De zichtbaarheid van de hoogteverschillen in en rondom de wierden. De wierden vallen in reeksen samen met de voormalige kustlijn en langs natuurlijke waterlopen (maren) waarbij de wierden als eilandjes in open agrarisch gebied liggen.
    • Cultuurhistorische en hoge archeologische waarde van de wierden, dobben, dijken, middeleeuwse kerken, eendenkooien, typische bebouwingsstructuren en ecologische relicten van middeleeuwse landbouwgewassen.
    • Restanten van middeleeuwse onregelmatige blokverkaveling.
    • Een verbindend systeem van oorspronkelijke en bevaarbare maren, aantakkend op wierdendorpen.
  • In dit landschap wisselen grootschalige openheid en kleinschalige bebouwing elkaar af,
  • De overgangen zijn hard, waardoor duidelijke dorpssilhouetten ontstaan.
  • Contrast tussen robuuste nieuwe natuur in de natuur-as van 't Roegwold en de groene linten met de grote, overwegend rationeel ingerichte landbouwkern als tegenhanger.
  • Sporen uit het waterbeheer: poldermolens, sluizen, diepen en trekvaarten uit 1500 – 1700.

Kernkarakteristieken van de Veenkoloniën

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de Veenkoloniën verdient, bij nieuwe ontwikkeling, de aansluiting op de volgende kenmerken aandacht:

  • Prehistorische geomorfologische restanten in de vorm van dekzandruggen.
  • Prehistorische vondsten en sporen van veenwegen van jager-verzamelaars uit het Mesolithicum.
  • Grootschalige openheid, rationele planmatige en historisch afleesbare verveningsverkaveling van rechte wegen, vaarten, kanalen en wijken van het verveningslandschap met daarbij verdichte, kaarsrechte en langgerekte bebouwingslinten en relatief besloten kanaaldorpen.
  • Afwijkingen in dit systeem vormen bijzondere plekken waar wegen een kronkelend beloop hebben.
  • Contrast tussen het kleinschalige lint met enkele doorkijken en het grootschalige open landschap met weidse vergezichten.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide dorpsstructuur:
    • De strikte ordening en samenhang van de bebouwing en beplanting met het ontginningssysteem van kanalen en wijken.
    • Grote, zeer open en onbebouwde percelen aan de 'achterkanten' van de linten die de overgang vormen naar het achterliggende open gebied.
    • Aanwezigheid van verdichtingen en daarmee herkenningspunten binnen de linten bij de bruggen, sluizen, fabrieken en watertorens.
    • Binnen de linten Oldambtster boerderijen met hier en daar een arbeiderswoning van het typisch Veenkoloniale krimpjestype.
  • Industrieel erfgoed van de aardappelzetmeel- en strokartonindustrie en de scheepvaart uit de Moderne Tijd.
  • Wederopbouwwijken en bijbehorende infrastructuur in Stadkanaal, mede door de komst van Philips geïnitieerd.
  • Structuren doorgevoerd door de Herinrichting Gronings-Drentse Veenkoloniën.
  • Wijken en kanalen met hoge ecologische waarde.
  • Akkers met akkervogels.

Kernkarakteristieken van het Oldambt

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het Oldambt verdient, bij nieuwe ontwikkeling, de aansluiting op de volgende kenmerken aandacht:

  • Geologische hoofdstructuur van Pleistocene opduikingen (keileemrug), dekzandruggen en prehistorische hoogveenrelicten.
  • Prehistorische en Karolingische sporen van bewoning.
  • Middeleeuwse steenhuizen, borgen en borgterreinen met unieke flora en fauna.
  • Verdronken middeleeuws veenontginningslandschap bij Noordbroek, nog zichtbaar in lichte hoogteverschillen.
  • Middeleeuwse kerken en kerkterreinen.
  • Strategische ligging als grensgebied (bijv. Slag bij Heiligerlee) en de bouw van
  • schansen waaronder Oudeschans, Nieuweschans en Winschoten.
  • De grootschalig openheid tussen parallelle dijken in het polderlandschap met eindeloos lijkende lange groene linten van wegen met bomenrijen.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide dorpsstructuur:
    • Variatie in vorm en grootte van bebouwing: van karakteristieke, grote boerderijen en grote graanschuren tot kleine arbeidershuisjes.
    • Het contrast en de variatie in bebouwing afgewisseld met doorzichten naar het open agrarische achterland.
    • Groene bebouwingslinten vormen harde overgang van de open polders naar de meer besloten hogere zandruggen.
    • Verspreid liggende bebouwing langs ontsluitingswegen in de polders.
    • Eenzijdige bebouwing langs dijken.
    • Veelal langgerekte tweezijdige bebouwingslinten overgaand in dichte bebouwingslinten.
    • Grote Oldambtster boerderijen, vaak met bijzondere (slinger)tuinen en daarbij bescheiden arbeiderswoningen.
    • Dijken, dijkdoorgangen met schotbalkhuisjes, kolken en gemalen uit de Nieuwe Tijd.
    • Ecologisch waardevolle gebieden van het estuarium en kweldernatuur in de Dollard en de Punt van Reide.
    • Open akkers, akkervogels en relicten van akkeronkruiden.
    • Moerasnatuur in het Oldambtmeer met typerende flora en fauna.

Kernkarakteristieken van Westerwolde

Voor het behoud en de verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit van Westerwolde verdient bij nieuwe ontwikkeling de aansluiting op de volgende kenmerken aandacht:

  • Prehistorische geomorfologische landschapselementen zoals het reliëf aard, keileemheuvels, dekzandreliëf, tangen, en pingoruïnes.
  • Het beekdallandschap van de Ruiten Aa, Mussel Aa en Westerwoldse Aa.
  • Prehistorische nederzettingssporen.
  • Vroegmiddeleeuwse rijengrafvelden en nederzettingssporen.
  • Middeleeuwse huisakkers: oerden.
  • Middeleeuwse kerken en borgen en het kruisherenklooster Ter Apel.
  • Middeleeuwse verdedigingslinies van schansen, leidijken en uitwateringssluizen.
  • Landschappelijke opbouw van afwisselend de kleinschalige beslotenheid van esdorpen en esgehuchten met kleine bosjes en houtwallen op de hoger gelegen delen, open essen op dekzandkoppen en open hooilanden in het nattere beekdal.
  • De schaal en het karakter van de historisch gegroeide dorpsstructuur.
    • Kleinschalig besloten esdorpenlandschap met esdorpen en esgehuchten, essen en kleine bosjes en houtwallen met hoge ecologische waarden.
    • De verspreide bebouwing in esgehuchten met Westerwoldse boerderijen, kop-(hals-)romp en Oldambtster boerderijen.
    • De clusters van verspreide boerderijen, hoeves, bij de esdorpen.
    • De duidelijke randen (steilranden) van esdorpen die de overgang naar de essen markeren.
    • Het relatief groene en bosrijke karakter van de esdorpen op de hoger gelegen delen.
  • Meanderend beloop van wegen, paden en beekdal van de Ruiten Aa met een herwonnen natuurlijk beloop. In de beekdalen zijn hooilanden, elzenbroekbossen en blauwgraslandrelicten met hoge ecologische waarden.
  • Daaromheen rationeel verkaveld jong heideontginningslandschap met verspreid liggende agrarische bebouwing met komvorming op kruispunten in het heideontginningslandschap.
  • Onregelmatige, organisch gegroeide lintvormige veenontginningsdorpen.
  • Strategische ligging als grensgebied en als gevolg hiervan de bouw van uitwateringssluizen, leidijken en schansen waaronder Oudeschans, Bellingwolderschans en meer recent de werkkampen.
  • Industrieel erfgoed van de aardappelindustrie met de bijbehorende infrastructuur.

Ontwerp en proces

Ontwerpstappen

  1. Zorg dat ruimtelijke kwaliteit en ontwerpend onderzoek vroegtijdig op de agenda van de opgave komen.
  2. Formuleer een heldere probleemstelling of centrale vraag.
  3. Analyseer de locatie of het gebied en de directe en verdere omgeving;
    1. Maak een heldere, beeldende, integrale ruimtelijke-functionele analyse op verschillende schaalniveaus (stedenbouwkundig, landschappelijk, cultuurhistorisch etc.).
    2. Ken kwaliteiten en diskwaliteiten toe en werk van grof naar fijn.
    3. Schets de beleidsuitgangspunten van andere belangen die van invloed zijn op het ontwerp. Denk aan functionele belangen, zoals bijvoorbeeld bereikbaarheid of veiligheid. Denk ook aan koppelkansen vanuit energie en duurzaamheid. Hiervoor kan de website Ambitieweb duurzaam GWWgebruikt worden (GWW staat voor Grond- Weg- en Waterbouw).
  4. Check op politieke gevoeligheid en de daarmee samenhangende vereisten.
  5. Maak een visie op hoofdlijnen: dit is het verhaal onder het ontwerp, de bovenliggende landschaps-/ stedenbouwkundige visie die richting geeft aan de wijze waarop de plannen verder moeten worden uitgewerkt. Het verhaal waarom er voor deze locatie is gekozen en wat specifieke belangrijke punten zijn uit de analyse.
  6. Verbeeld de visie met een of meerdere heldere concepten.
  7. Vertaal de visie in concrete ontwerpuitgangspunten. Dit zijn zaken die van belang zijn bij het maken van het (deel)ontwerp. Geef ook andere randvoorwaarden aan, zoals financiële en beheeraspecten.
  8. Maak het ontwerp, of laat een ontwerp maken, op basis van bovenstaande punten.
  9. Formuleer richting uitvoering concrete randvoorwaarden zoals bijvoorbeeld voorschriften voor bebouwing, openbare ruimte, profielen, kleur- en materiaalgebruik.
  10. Controleer het ontwerp op financiële haalbaarheid en beheeraspecten.
  11. Check of het ontwerp past in de visie op hoofdlijnen van stap 5.
  12. Hanteer de stappen niet te star en herhaal het stappenplan als het proces vastloopt, zorg dat er bij aanpassingen van het ontwerp altijd een helder verhaal onder het ontwerp blijft liggen.

Processtappen

Elk project en elke locatie is uniek en heeft eigen opgaven, kenmerken, belangen en spelers. Het is lastig te voorspellen hoe het eindresultaat eruit gaat zien, nog los van hoe het gebruikt en beleefd gaat worden. Werken met ruimtelijke kwaliteit betekent hierop anticiperen en kan meer concreet worden gemaakt door het sturen op een goed ontwerpproces en het duidelijk definiëren van de rol van ruimtelijke kwaliteit in de verschillende processtappen.

Er zijn zes processtappen (fasen van projectmanagement) te onderscheiden: initiatief, definitie, ontwerp, voorbereiding, realisatie, nazorg. In deze handreiking zijn de eerste drie processtappen nader uitgewerkt, toegelicht en van tips en trucs voorzien:

  1. Initiatief
  2. Definitie
  3. Ontwerp
  4. Voorbereiding
  5. Realisatie
  6. Nazorg

Hoe eerder in een planproces ruimte is voor lokale eigenschappen, eigenaardigheden en verhalen, hoe meer kwaliteitswinst en draagvlak er kan worden geboekt. De verhalen, identiteiten en geschiedenis van de plek zijn daarbij van groot belang. Niet altijd kunnen ze integraal meegenomen worden, maar ze kunnen wel een plek krijgen in het proces.

De rol van ruimtelijke kwaliteit in een gebiedsproces is in vele gevallen vergelijkbaar met andere procesonderdelen en -thema's die goede ontwikkelingstrajecten nodig hebben om te komen tot haalbare en gedragen resultaten. Voorbeelden zijn vroegtijdige betrokkenheid van stake- en shareholders, het schakelen tussen schaalniveaus, het gelijk optrekken van 'rekenen en tekenen', het gezamenlijk vastleggen van ambitiedocumenten en het (bestuurlijk) vieren en markeren van bijzondere mijlpalen.

Initiatieffase

In de initiatieffase wordt de opdracht geformuleerd in de vorm van ambities, doelen en resultaten. Om de opgave scherp te krijgen is het zogenaamd ontwerpend onderzoeken een handige tool. Hiermee worden de ontwerpgave, de alternatieven en de varianten onderzocht, zonder direct naar een definitieve oplossing of strakke randvoorwaarden toe te werken. Dit biedt ruimte aan enthousiasme en (onverwachte) ideeën van betrokken partijen in de ontwerpfase. Ontwerpopgaven kunnen in deze fase nog tegenstrijdig zijn. Vertrouw op het oplossend vermogen van een goed ontwerp(proces).

Het proefondervindelijk schetsen, tekenen en soms al rekenen op verschillende schaalniveaus werkt verhelderend richting definitiefase. Het gaat hierbij niet alleen om het identificeren van de juiste opgave, maar ook om het in kaart brengen van de spelers en hun belangen. Een helder beeld van de betrokken partijen en eindgebruikers verstevigt de gewenste gebruiks-, belevings- en toekomstwaarden.

Tips:

  • Maak ruimte voor een uitgebreide inventarisatie en analyse. Betrek vele partijen hierbij en maak gebruik van lokale kennis waardoor een soort van collectief geheugen ontstaat rondom opgaven en waarden.
  • Overleg met uitvoerders en beheerders hoe en wanneer zij betrokken willen zijn in het proces om te voorkomen dat 'oplossingen' worden bedacht die niet realiseerbaar of beheersbaar zijn.
  • Voorkom vroegtijdige discussie over bevoegdheden en verantwoordelijkheden; echte integrale en duurzame oplossingen kenmerken zich door brede taakopvattingen, coproducties en gedeelde verantwoordelijkheden.

Definitiefase

Om doelstellingen en ambities gedurende het gehele proces te waarborgen, is het belangrijk dat partijen zich hieraan committeren door gezamenlijk heldere kaders op te stellen. De definitiefase levert hiervoor een projectplan, een plan van aanpak of een programma van eisen op. Wie gaat wat op welke wijze doen? Overigens hoeven betrokkenen (en politiek/bestuur) het niet eens te zijn over wat ruimtelijke kwaliteit is, wel over de noodzaak dit na te streven.

Datgene wat in de initiatieffase aan de orde was komt terug, maar concreter, strakker omlijnd en scherper bepaald. Kies hierbij voor een belangrijke en continue plek van ontwerp in het proces. Eventueel kunnen ontwerpopgaven worden vastgesteld en wordt bepaald hoe uitvoering en beheer bij het proces worden betrokken.

Tips:

  • In deze fase is verwachtingsmanagement belangrijk om teleurstellingen achteraf te voorkomen. Wees bijvoorbeeld duidelijk over geldende randvoorwaarden op juridisch-bestuurlijke, financiële of andere gronden.
  • Als tijdens de rit een welstands- of kwaliteitscommissie in beeld komt, is dit het moment om alvast met hen te overleggen over uitgangspunten en aandachtspunten. Hiermee wordt dubbel werk voorkomen.
  • Workshops, inspiratiesessies en verbeeldingen zijn handig om het plan van aanpak (en soms het probleem) echt scherp te krijgen.

Ontwerpfase

De ontwerpfase kenmerkt zich door verdieping van de opgave en de zoektocht naar inspirerende en duurzame oplossingen. Aan het einde van de ontwerpfase is het projectresultaat zichtbaar geworden in de vorm van onder meer visies, ontwerpen, masterplannen en inpassingsplannen. Daarbij gaan steeds meer projecten uit van co-creatie. Dit vraagt om andere ontwerpprocessen en procedures met meer flexibiliteit.

Het gezamenlijk vanuit verschillende disciplines en partners werken aan oplossingen en (deel)ontwerpen is dan ook een iteratief proces geworden: een continue schakelen tussen ambities en doelen, rekenen en tekenen, gebruik en beheer.

Extra tips:

  • Neem de langere termijn als horizon.
  • Praat over kwaliteiten op de langere termijn. Problemen van morgen komen vanzelf. Praten over kwaliteiten heeft een depolariserend effect. De discussie wordt gericht op wat mensen motiveert en ontroert, niet op wat ze ontmoedigt en ergert.
  • Betrek belanghebbenden vanaf het begin bij het denken.
  • Nodig vanaf het begin bij het denken en discussiëren personen uit van alle groepen belanghebbenden (de 4 b’s: boeren, bewoners, beheerders, bezoekers). Vraag hen mee te doen als stem uit en niet stem van de belangengroep. Deelnemers moeten vrij zijn hun eigen visie te geven, zonder hun achtergrond te hoeven verloochenen.
  • Organiseer kwaliteitsexcursies. Belanghebbenden laten anderen zien wat ze bedoelen met de door hen gewaardeerde kwaliteiten. Dat kan zowel in het eigen gebied als een voorbeeld elders zijn.
  • Interpreteer de matrix ruimtelijke kwaliteit (hyperlink naar matrix ruimtelijke kwaliteit) naar eigen inzicht. Gebruik de matrix als inspiratiebron en kader voor het formuleren van ideeën en strevingen. Breng de verschillende onderdelen van de matrix tot leven met voorbeelden uit de eigen omgeving.
  • Ontwikkel een inhoudelijke agenda. Door ideeën en strevingen samen te voegen tot thema’s ontstaat een eerste, voorlopige inhoudelijke agenda voor planvorming. Gebruik deze agenda om bestaande programma’s en plannen te toetsen.
  • Maak niet te grote sprongen. Ruimtelijke kwaliteit is alleen duurzaam als het steunt op bewuste keuzes in een voorgaande fase. Visievorming duurt soms lang, zeker als het om nieuwe ideeën gaat. Door te snel van vage kwaliteitsdoelen te springen naar concrete uitvoeringsprojecten gaan vaak onderliggende strevingen verloren. Haalbaarheidsoverwegingen en sectorale doelen krijgen dan te snel de overhand in het denken.
  • Doorloop alle fasen ten minste drie keer.
  • Loop eerst een snel ‘rondje’ met ideeën en beelden als denkoefening. Daarna komt de papieren ronde, met tekeningen, berekeningen en nota’s. Ten slotte komt de echte, materiële ronde, waarin beslissingen onherroepelijk zijn en de schep de grond in gaat.
  • Denk in alle fasen aan meervoudig ruimtegebruik. Voorbeelden: intensivering, functiecombinaties, verticaal bouwen/stapelen, dubbel financieren van projecten (rood-voor-groen etc.), meer partijen bij uitvoering betrekken, stapelen van belangen (draagvlakverbreding), diversiteit van gebruiksvormen vergroten, verlenging van de gebruiksduur.
  • Neem tijd voor kwaliteit. Werken aan de ruimtelijke kwaliteit van de toekomst kan letterlijk en figuurlijk niet op een achternamiddag plaatsvinden, maar vraagt om voldoende tijd, rust en een goed doordachte organisatie.
  • Laat supervisors kwaliteit op de voet volgen. Het proces van planning en uitvoering is lang en er kan veel misgaan onderweg. Naast een vaak al aanwezige supervisor voor vormgevingszaken, kan ook worden gedacht aan supervisors die duurzaamheid en cultuurhistorie gedurende het gehele proces in de gaten houden.

Bijlagen

Kernbegrippen Kwaliteitsgids Groningen

Archeologie

Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van het leven van de mensen in het verleden op basis van materiële overblijfselen die zich in de bodem bevinden. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of slechts een aantal decennia, zoals sporen uit de Tweede Wereldoorlog. Archeologie is onze enige bron van informatie over het leven van de mensen in de prehistorie.

Erfgoed

Met erfgoed bedoelen we sporen uit het verleden die aanwezig zijn in onze huidige tijd. We onderscheiden binnen het erfgoed immaterieel erfgoed (gebruiken, gewoonten en verhalen) en  materieel erfgoed (gebouwen, natuurgebieden en landschappen, maar ook boeken en kunstwerken). Voertuigen behoren tot het mobiele erfgoed.

In de Kwaliteitsgids Groningen vindt u bij het thema Erfgoed uitsluitend informatie over het onroerend erfgoed, omdat dit op de kaart te vinden is. Welke soorten onroerend erfgoed zijn er?

Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten

Gebouwen maken deel uit van het materiële erfgoed. Rijksmonumenten zijn gebouwde of aangelegde objecten of archeologische terreinen die behouden moeten blijven vanwege hun schoonheid, cultuurhistorische waarde of wetenschappelijke betekenis..

Naast rijksmonumenten zijn er in de provincie Groningen ook gemeentelijke monumenten. Alleen de provincies Noord-Holland en Drenthe hebben momenteel provinciale monumenten. Gemeenten kunnen besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Eind * waren er volgens de Erfgoedmonitor Groningen meer dan * gemeentelijke monumenten.

Archeologische (rijks)monumenten

Archeologische rijksmonumenten zijn terreinen van hoge archeologische waarde met resten, voorwerpen of andere sporen van mensen uit het verleden. Deze kunnen zichtbaar zijn, zoals wierden. Maar het grootste deel van de archeologische monumenten in Nederland ligt onder het oppervlak, bijvoorbeeld in de bodem of onder het wateroppervlak. De meeste archeologische rijksmonumenten bevinden zich in het gebied in het noorden van Groningen (rond Bedum en Delfzijl).

Stads- en dorpsgezichten

Een beschermd stads- of dorpsgezicht is een gebied binnen een stad of dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. Door deze bescherming blijft dit karakter behouden. In de provincie Groningen zijn er ruim ** van deze beschermde gebieden.

Werelderfgoed in Nederland

Een voorbeeld van een natuurgebied dat deel uitmaakt van het materiële erfgoed in Nederland is de 7000 jaar oude Waddenzee. Vanwege de enorme diversiteit aan planten- en diersoorten en de bijzondere eigenschappen van het ecosysteem kreeg de Waddenzee zelfs een plek op de UNESCO-Werelderfgoedlijst, een internationale lijst van materieel werelderfgoed. Nederland telt momenteel tien van deze werelderfgoederen die zo belangrijk voor de wereldgemeenschap zijn dat we ze veilig aan toekomstige generaties willen doorgeven. Dit kunnen zowel culturele als natuurlijke monumenten zijn of een combinatie van beide.

Groen erfgoed

Groen erfgoed is de verzamelnaam voor historische groen-aanleggen zoals tuinen, parken, woonwijken, verdedigingswerken, begraafplaatsen, buitenplaatsen en landgoederen. Cultuurlandschappen met door de mens beïnvloed groen zoals (hakhout-)bossen, houtwallen vallen ook onder de noemer Groen erfgoed.

https://www.atlasleefomgeving.nl/meer-weten/erfgoed

Gebiedsbiografie

Een gebiedsbiografie verteld chronologisch het verhaal over de ontstaansgeschiedenis van het huidige cultuurlandschap. Het belicht in woord en beeld hoe een gebied in de loop van de tijd veranderde onder invloed van de wisselwerking tussen aardkundige, natuurlijke en menselijke factoren. En hoe het verleden in het hedendaagse landschap doorwerkt. Door de verbanden te laten zien tussen de verschillende lagen van het landschap, zoals bodem en historische bebouwing, wordt inzicht verkregen in de historische en ruimtelijke ontwikkelingen. En de daaruit voortvloeiende kenmerken, patronen en structuren (hierna kenmerken genoemd). Deze gebiedsspecifieke kenmerken vormen de identiteit van een gebied.

Gebiedsidentiteit

De identiteit van een gebied wordt bepaald door de aanwezige gebiedsspecifieke kenmerken. Deze zijn ontstaan door de wisselwerking tussen aardkundige, natuurlijke en menselijke factoren gedurende de ontstaansgeschiedenis van het cultuurlandschap. Het ene gebied onderscheid zich hierdoor duidelijk van het andere gebied. Zo zijn er voor de Provincie Groningen 7 gebieden vastgesteld met ieder hun eigen kenmerken en een eigen gebiedsidentiteit.

Landschap

Landschap is een gebied zoals dat door mensen wordt waargenomen en waarvan het karakter bepaald wordt door natuurlijke en/of menselijke factoren en de interactie daartussen.

Ruimtelijke Kwaliteit

Met ruimtelijke kwaliteit wordt een omgeving of een bouwwerk bedoeld met de juiste mix van een hoge gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde. Dit houdt in dat het gebied of bouwwerk optimaal gebruikt kan worden voor het beoogde doel, robuust en duurzaam is (de vraag of het de ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden kan opvangen), en daarbij aangenaam en aantrekkelijk is om te zien (zie: matrix Ruimtelijke Kwaliteit). Ruimtelijke kwaliteit is hierdoor naast een mix van eigenschappen van een gebied en een mix van objectieve en subjectieve elementen ook schaalgebonden en tijdsgebonden. Ruimtelijke kwaliteit kan worden bepaald doormiddel van een integrale, ruimtelijk-functionele analyse van het gebied of bouwwerk. (p. 20) (bron: RLI)

Vakgebieden/colofon

De gebiedsbiografieën van de Groninger landschappen zijn opgesteld door provincie Groningen in samenwerking met het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen en Landschapsbeheer Groningen. Landschapshistorici, archeologen, geologen, het Provinciale Bouwheerschap, cultuurhistorici, erfgoeddeskundigen, ecologen en biologen hebben hierin samengewerkt. Door de bundeling van kennis uit theorie en praktijk, is het verhaal van de Groninger landschappen integraal verteld.

Bibliotheek, shortlinks naar publicaties, organisaties, kaartmateriaal, etc.